Hoe werkt de levensloopregeling?

 

Sinds 2006 kan een werknemer sparen in een levensloopregeling, vervolgens kan een vorm van onbetaald verlof gefinancierd worden vanuit de levensloopregeling.

Vanaf 2012 is de levensloopregeling formeel afgeschaft. De levensloopregeling geldt alleen nog voor werknemers die al in 2011 in deze regeling spaarden en die op 31 december 2011 een spaartegoed hadden van € 3.000 of meer. Deze deelnemers mogen nog blijven deelnemen tot en met 31 december 2021. 

 

De regeling

Deze regels gelden alleen nog voor de deelnemers met een saldo van meer dan € 3.000 (31-12-2011)
Van het brutoloon wordt een bedrag ingehouden dat op een speciale spaarrekening van de werknemer wordt gestort of als premie voor een 'levensloopverzekering' van de werknemer wordt overgemaakt. In overleg met de werkgever kan een werknemer ook gespaarde tijd, bijvoorbeeld overwerkuren of adv-dagen, om laten zetten in geld.

Dit bedrag kan dan op de levenslooprekening worden gestort. Een werknemer mag de levensloopregeling zo vaak voor onbetaald verlof gebruiken als hij wil. Het tegoed kan immers steeds weer worden bijgevuld.

Overgangsrecht: als de deelnemer onder het overgangsrecht het saldo volledig heeft opgenomen, ook als dit is voor 31-12-2012, dan kan er niet meer worden ingelegd en is de regeling formeel voor deze deelnemer gestopt.

 

Maximaal spaarbedrag levensloop

Er kan jaarlijks maximaal 12% van het brutoloon worden gespaard dat in dat jaar wordt verdiend. Verder mag maximaal 210% van het bruto jaarsalaris inclusief rente worden gespaard.

Werknemers die op 31 december 2005 51 jaar of ouder zijn, maar nog geen 56 jaar mogen meer dan 12% van het bruto jaarloon sparen. Maar ook voor hen geldt dat er in totaal maximaal 210% van het bruto jaarloon gespaard mag worden.

 

Verwerking v an de levensloopkorting

Ongeacht het saldo per 31-12-2011 is de opbouw van de levensloopverlofkorting gestopt per 2012.
Het bedrag van de levensloopverlofkorting bedraagt, per jaar dat is ingelegd in de levensloopregeling, € 205 (2013). De opbouw is maximaal over de jaren 2006 t/m 2011. Dit betekent dat de opgebouwde levensloop maximaal 6 x € 205 = € 1.230 bedraagt.

Bij de toepassing van de levensloopverlofkorting wordt eventueel eerder genoten levensloopverlofkorting in mindering gebracht.
Tot 2013 kreeg men alleen deze korting op de te betalen loonheffing al de financiering werd gebruikt voor onbetaald verlof. Door het overgangsrecht vanaf 2013 mag de levensloopverlofkorting ook zonder opname van verlof te gelden worden gemaakt.

 

Werknemer kiest zelf bij wie het geld wordt ondergebracht

Verzekeraars, banken en dochters van pensioenfondsen of pensioenuitvoeringsbedrijven mogen de levensloopregeling uitvoeren. De werknemer bepaalt zelf bij welke instelling hij de levenslooprekening (of -verzekering) wil onderbrengen. Voordeel daarvan is dat de rekening gewoon kan worden aangehouden als de werknemer van werkgever verandert.

 

Opnemen spaartegoed

De beheerder van het geld maakt het tegoed (periodiek)over naar de werkgever omdat er nog loonbelasting over betaald moet worden. Daarna maakt de werkgever het resterende tegoed (periodiek) over aan de werknemer, die het bedrag kan gebruiken om een periode van onbetaald verlof financieel te overbruggen.

Overgangsrecht: vanaf 2013 is hetsaldo bestedingsvrij, het kan dus ook zonder verlof worden opgenomen

 

Maximale opname

Tot 2013 mocht het opgenomen bedrag niet meer zijn dan het loon dat de werknemer direct voorafgaand aan de verlofperiode per maand ontving. Dus: een werknemer die in juli € 1000 verdiende, mag in augustus niet meer dan € 1000 aan spaartegoed opnemen voor de financiering van 1 maand onbetaald verlof. Er moest daarbij ook rekening worden gehouden met een eventuele loondoorbetaling door de werkgever. Kreeg deze werknemer tijdens het verlof al € 500 van zijn werkgever, dan mocht hij nog maar € 500 uit zijn 'levensloopspaarpot' halen.

Overgangsrecht: vanaf 2013 is het saldo bestedingsvrij en ook zonder beperkingen aan de hoogte van het bedrag. En het mag boven op het huidige loon worden uitbetaald.

 

Overgangsregeling oudere werknemers

Voor oudere werknemers komt er een overgangsregeling. De overgangsregeling geldt alleen voor werknemers die vóór 1 januari 2005 tussen de 50 en 55 jaar oud waren. Voor hen vervalt de voorwaarde dat binnen de levensloopregeling in het kalenderjaar niet meer dan 12% van het loon van dat jaar mag worden gespaard. Door deze extra stortingsmogelijkheid kunnen deze werknemers het toegestane maximale bedrag in een kortere periode bij elkaar sparen.

In het Sociaal Akkoord 2004 hebben het kabinet en de sociale partners op 5 november 2004 afgesproken om dat maximale bedrag te verhogen tot 210% van het laatstverdiende loon. Dat bedrag komt overeen met een verlof van drie tot vier jaar tegen 70 procent van het laatstverdiende loon. Het verlof mag volledig worden gebruikt om eerder te stoppen met werken.

Let op:
Ook bovenwettelijke vakantiedagen en overuren kunnen in de levensloopregegling worden gestort.

 

Belasting- en premieheffing

Werknemers mogen per jaar maximaal 12% van hun loon belastingvrij sparen. Over de opbouw in de levensloopregeling wordt geen loonbelasting geheven. Er hoeft pas loonbelasting te worden betaald als de gespaarde tegoeden worden opgenomen. Over de inleg op de levensloopregeling waren tot 2013 wel werknemerspremies verschuldigd. Door de wet uniformering loonbegrip per 2013 is ook over de inleg geen werknemersverzekeringen verschuldigd.