Alleen
op
verzoek

Door intrekking van de oude Besluit uit 2005 is zonder een formeel verzoek bij de Belastingdienst toepassing van de verleggingsregeling na 12 september 2013 niet meer mogelijk.

 
 

Schriftelijk verzoek bij de Belastingdienst

De verleggingsregeling kan dan uitsluitend nog worden toegepast indien de formele werkgever (het buitenlands concernonderdeel) en het Nederlandse concernonderdeel hiertoe een gezamenlijk schriftelijk verzoek bij de Belastingdienst indienen. Nadat het verzoek is ingediend geeft de Belastingdienst een beschikking af waarin wordt goedgekeurd dat de verleggingsregeling voor die beide ondernemingen kan worden toegepast.

In principe moet voor elke uitgezonden werknemer telkens weer een beschikking worden aangevraagd. De Belastingdienst heeft evenwel aangegeven dat een algemeen verzoek, voor alle werknemers die van een bepaald buitenlands concernonderdeel naar Nederland worden gezonden, ook mogelijk is. Deze beschikking geldt dan voor aanwezige en nog toekomstige werknemers welke tussen dezelfde concernonderdelen worden uitgezonden. Met andere woorden, een dergelijk verleggingsverzoek hoeft slechts éénmalig te worden gedaan.

 
 

Aparte beschikking per concernonderdeel

Voor werknemers van een ander buitenlands concernonderdeel zal telkens per concernonderdeel een aparte beschikking moeten worden gevraagd. Deze beschikking geldt dan voor die concernverhouding.

Dit leidt ertoe dat voor aanvragen van de 30%-regeling waarbij er geen lokale arbeidsovereenkomst met de Nederlandse entiteit wordt gesloten en waarbij de aanvragen een startdatum na 12 september 2013 hebben, een verzoek moet worden gedaan tot afgifte van een beschikking inzake de verleggingsregeling, indien het buitenlandse concernonderdeel voor de uitgezonden werknemer in Nederland geen eigen salarisadministratie wenst te voeren.

 

Gevolgen bij geen beschikking

Wanneer er, zonder dat een beschikking is afgegeven, toch gebruik wordt gemaakt van de verleggingsregeling, dan kan de Belastingdienst zich op het standpunt stellen dat de aanvraag en afgifte van de 30%-beschikking op de foute inhoudingsplichtige heeft plaatsgevonden.

Daarmee zal de Belastingdienst het standpunt innemen dat de afgegeven beschikking niet geldig is en dat de 30%-regeling niet had kunnen worden toegepast hetgeen naheffingsaanslagen tot gevolg zal hebben.