Hervorming pensioenstelsel, hoezo een fundamentele discussie?

Door Ruud Lahr - 17 maart 2016

 

Kijk verder dan de tweede pijler

De afgelopen jaren is de roep om een fundamentele discussie over het Nederlandse pensioenstelsel steeds sterker geworden. Maar hoe fundamenteel wordt die discussie eigenlijk gevoerd als deze zich beperkt tot de tweede pijler? Ruud Lahr van pensioenuitvoerder Blue Sky Group legt uit waarom de eerste pijler niet buiten de discussie gehouden mag worden.

 

"Het pensioenstelsel moet op de schop" is een veelgehoorde uitspraak de laatste jaren. Vooral de vermogensoverdracht van jongeren naar ouderen is velen een doorn in het oog. Ook andere vormen van financiële solidariteit moeten het ontgelden. Sommige worden zelfs ‘pervers' genoemd. Daarnaast ontbreekt het in het huidige stelsel aan heldere eigendomsrechten en individuele keuzevrijheden. Het stelsel is niet langer houdbaar, is de algehele conclusie.

Ook de beleidsmakers in Den Haag zijn van mening dat het anders moet. Het ministerie van SZW heeft een brede maatschappelijke dialoog gevoerd  en mede op basis daarvan de hoofdlijnen van een toekomstbestendig pensioenstelsel geschetst. 

 

De drie pijlers van ons pensioenstelsel

In iedere beschrijving van het Nederlandse pensioenstelsel wordt uitgegaan van drie pijlers: 

Pijler 1: de basisvoorziening van de overheid (AOW)
Pijler 2: collectieve aanvullende pensioenen via de werkgever
Pijler 3: individuele oudedagsvoorzieningen

 

Niet blind staren op tweede pijler

Maar als het pensioenstelsel op de schop moet, dan gaat het doorgaans ineens nog maar over één pijler: de tweede pijler. Soms in combinatie met een pleidooi voor een grotere derde pijler. De eerste pijler blijft bijna altijd buiten scope. Dit terwijl de eerste pijler veel groter is dan de tweede:

  • Er zijn meer mensen die een AOW- of ANW-uitkering ontvangen dan mensen die een ouderdoms of nabestaandenpensioen (partner-/wezenpensioen) ontvangen.
  • De som van jaarlijkse AOW- en ANW-uitkeringen is groter dan het totaal aan uitkeringen van pensioenfondsen.
  • De AOW-aanspraken overtreffen ruimschoots (met ruim 30%) de aanspraken op het aanvullende werknemerspensioen (tweede pijler).

En de eerste pijler is niet alleen in volume groter dan de tweede pijler, ook de mate van solidariteit – uitgedrukt in vermogensoverdracht tussen verschillende groepen – is in de eerste pijler vele malen groter dan in de tweede pijler. Dit constateerde Harman Korte (AFM) in 2013 ook al in een speech over solidariteit in het Nederlandse pensioenstelsel: "Als we (…) naar het pensioenstelsel als geheel kijken, en niet alleen naar de tweede pijler, dan kunnen we vaststellen dat de grootste subsidiestroom niet in pensioenfondsen ligt, maar juist daarbuiten, in de AOW en de ANW, dus in wat we de eerste pijler van ons stelsel noemen."

Dus terwijl veel pensioendeskundigen zich op bijna principiële gronden druk maken over de (subsidiërende) solidariteit in de tweede pijler, ligt het overgrote deel van die solidariteit besloten in de eerste pijler.

 

Solidariteit in de eerste pijler

Het basispensioen in de eerste pijler is te kenmerken als een omslagstelstel. Dit betekent dat er geen reserves worden gevormd, maar dat de uitkeringen worden gefinancierd uit de ontvangen premies in dezelfde periode. Anders gezegd, de werkenden betalen de uitkeringen van de gepensioneerden.  Met een jaarlijkse premiestroom van ruim 20 miljard euro is dit een inkomensherverdeling van jewelste.

En ook hierin zitten allerlei vormen van solidariteit. Een deel van de subsidiestromen loopt parallel tussen de eerste en tweede pijler, een ander deel loopt tegengesteld. Voorbeelden van parallelle subsidiestromen zijn die van jonge mensen naar oude mensen, van mannen naar vrouwen, van mensen met een korte levensverwachting naar mensen met een lange levensverwachting, van lager opgeleiden naar hoger opgeleiden en van alleenstaanden naar mensen met ‘nabestaanden'. Deze parallelle subsidiestromen in de eerste en tweede pijler versterken elkaar.

Voorbeelden van tegengestelde subsidiestromen zijn die tussen mensen met lagere en hogere inkomens. De door Gijs van Dijk (FNV) ‘pervers' genoemde solidariteit tussen de vuilnisman en de professor in de tweede pijler, loopt in de eerste pijler – als gevolg van de inkomensafhankelijke AOW-premies – precies de andere kant op. Deze stromen heffen elkaar (gedeeltelijk) op als je naar het totaal van eerste en tweede pijler kijkt.

 

Eigendomsrecht en keuzevrijheid in eerste pijler

Ook andere problemen die aan de tweede pijler kleven, spelen eveneens een rol in de eerste pijler: eigendomsrechten en keuzevrijheid zijn binnen de eerste pijler nog veel beperkter dan in de tweede pijler. Met een initiatiefwet voor een flexibele AOW wordt geprobeerd om iets aan het ontbreken van keuzevrijheid in de eerste pijler te doen. Maar zelfs als dit voorstel het haalt – en dat lijkt me niet vanzelfsprekend, gezien de afhoudende reactie van het kabinet – dan nog is de mate van keuzevrijheid in de eerste pijler veel kleiner dan de huidige keuzevrijheid in de tweede pijler.

Kortom: als de vaak gesignaleerde tekortkomingen in de tweede pijler echt principieel van aard zijn, dan moeten dezelfde bezwaren ook gesignaleerd worden in de eerste pijler. En dan zouden meer deskundigen zich hard moeten maken voor een discussie over het pensioenstelsel in z'n totaliteit.

 

Uitzonderingen

Af en toe neemt iemand de eerste pijler wél mee in het neerzetten van een toekomstvisie. Zo pleitte Lans Bovenberg voor de opbouw van aanvullende, inkomensafhankelijke AOW-rechten als middel tegen de pijn van het afschaffen van de doorsneepremie. En Kees Kraaijeveld brak een lans voor afschaffing van de tweede pijler en uitbreiding van de eerste pijler tot een verplicht staatspensioen, aangevuld met een vrijwillig privépensioen vergelijkbaar met de huidige derde pijler.

Maar de meeste pleidooien voor een herziening van het pensioenstelsel of oproepen tot een discussie daarover, beperken zich tot de aanvullende pensioenen. Zo draagt bijvoorbeeld het position paper van AFM als input voor de Nationale Pensioendialoog de titel "naar een toekomstbestendig tweede-pijlerpensioen". Ook in de kamerbrief over de hoofdlijnen van een toekomstbestendig pensioenstelsel wordt nauwelijks aandacht besteed aan de eerste pijler, anders dan dat tevreden wordt geconstateerd dat de AOW een vertrouwde en gewaardeerde basisvoorziening is.

 

Fundamentele discussie

Als je echt een fundamentele discussie wilt voeren over de toekomst van het pensioenstelsel, ontkom je er niet aan om ook de eerste pijler erbij te betrekken. Nou zeg ik niet dat de AOW per se op de schop moet – het betreft tenslotte een basisvoorziening – maar het plaatst de discussie over de tweede pijler wel in de juiste context. Door de discussie te beperken tot alleen de tweede pijler, mis je 'the bigger picture'. Het is daarom wat mij betreft één van tweeën: óf we voeren een echt fundamentele discussie – dus over het pensioenstelsel als geheel – óf we voeren een selectieve discussie – dus alleen over de tweede pijler – maar stoppen ermee dit een ‘fundamentele' discussie te noemen.