Waardeoverdracht bij pensioenregelingen - deel 2

Door Marin van Esterik - 22 januari 2016

Deel 2: Informatieplicht en bijbetalingsproblematiek

Door middel van waardeoverdracht is het mogelijk om het pensioen dat een werknemer heeft opgebouwd bij de ene pensioenuitvoerder over te dragen naar een andere pensioenuitvoerder. Zowel op individuele als op collectieve basis. Vaak zijn werkgevers zich niet bewust van de complexiteit die bij waardeoverdracht om de hoek komt kijken.

 

Daarom schrijft Bergamin Pensioenrechtadvies voor ADP een serie artikelen over de verschillende aspecten van waardeoverdracht. In het eerste artikel hebben wij op hoofdlijnen het juridisch kader en de ontwikkelingen rondom (individuele) waardeoverdracht belicht. In dit tweede deel belichten wij de informatieverstrekking door de werkgever nader, waarbij we ook ingaan op de ‘bijbetalingsproblematiek'.

 

Informatieverstrekking over waardeoverdracht bij in dienst treden

Als een werknemer in dienst komt bij een werkgever, moet de werkgever deze nieuwe werkgever informeren over de pensioenregeling. Hij moet de werknemer onder andere wijzen op de mogelijkheid van waardeoverdracht. Op basis van de huidige wetgeving wordt informatie over het recht op waardeoverdracht via de startbrief verstrekt. De huidige Pensioenwet schrijft voor dat de werkgever moet zorgdragen dat de startbrief door de uitvoerder wordt verstrekt. In de praktijk wordt de startbrief door de verzekeraar of het pensioenfonds rechtsreeks aan de deelnemer verstrekt.

De startbrief zal als gevolg van de Wet Pensioencommunicatie per 1 juli 2016 door ‘Pensioen 1-2-3' worden vervangen. Pensioen 1-2-3 biedt de deelnemer gelaagde informatie over zijn pensioenregeling. De deelnemer bepaalt zelf hoe gedetailleerd hij de informatie tot zich neemt: op hoofdlijnen (laag 1), met toelichting op de hoofdlijnen (laag 2) of gedetailleerd (laag 3), vandaar dat het Pensioen 1-2-3 wordt genoemd. Zie voor meer informatie pensioen123.nl.

 

Individuele verplichte waardeoverdracht en mogelijke bijbetalingsverplichting

Als een werknemer nieuw in dienst treedt, dan heeft hij een wettelijk recht zijn pensioen te laten overdragen van de oude naar de nieuwe uitvoerder. Dit recht is niet beperkt tot de pensioenen die bij zijn vorige werkgever zijn opgebouwd: ook pensioenen die bij eerdere werkgevers zijn opgebouwd (tenzij het pensioenen van voor 8 juli 1994 betreft) kunnen worden overgedragen. Tot 2015 moest de werknemer binnen 6 maanden beslissen of hij zijn pensioen wilde overdragen. Vanaf 1 januari 2015 geldt deze termijn niet meer en kan een werknemer altijd om overdracht van zijn vanaf 2015 opgebouwde pensioen verzoeken.

 

Informatieverstrekking over waardeoverdracht bij uit dienst gaan

De huidige wetgeving verplicht de werkgever niet om vertrekkende werknemers te informeren over waardeoverdracht. Vertrekkende werknemers ontvangen nu via hun pensioenuitvoerder een zogenaamd ‘stop-UPO' (Uniform Pensioen Overzicht bij einde deelneming). Op deze opgave staat informatie over het recht op waardeoverdracht. De momenten van binnenkomst en het vertrek van werknemers zijn dus momenten waar het onderwerp waardeoverdracht in ieder geval op papier via de startbrief en ‘stop-UPO' aan de orde komt. Een meer actieve, informerende, rol van de werkgever kan nut en noodzaak van waardeoverdracht voor de (ex-) werknemer verduidelijken. En tevens de positie en verwachtingen van de werkgever duidelijk(er) maken.

 

Bijbetaling bij waardeoverdracht van verzekerde pensioenregelingen

Omdat de uitgangspunten van de wettelijke rekenregels voor waardeoverdracht (historisch lage rente) verschillen van de uitgangspunten in contracten met pensioenuitvoerders, ontstaan er bij het berekenen van de waardeoverdracht bij verzekerde pensioenregelingen overschotten of tekorten. Deze kunnen onder bepaalde omstandigheden leiden tot bijbetalingen door of terugstortingen aan werkgevers. Echter in de huidige markt komen terugstortingen niet voor. Het verschil tussen de contractuele waarde van de pensioenen (berekend op contracttarieven) en de wettelijke overdrachtswaarde van de pensioenen (berekend op wettelijke tarieven) komt in beginsel voor rekening van de oude werkgever. De werknemer hoeft in ieder geval niet bij te dragen aan de kosten voor een waardeoverdracht.

Als de werkgever is aangesloten bij een pensioenfonds, dan komt een tekort of een overschot voor rekening van het pensioenfonds. Overigens is de wet over dit laatste aspect niet helemaal duidelijk: artikel 26 Uitvoeringsbesluit Pensioenwet geeft namelijk aan dat óf de oude werkgever óf het oude pensioenfonds deze kosten draagt. In de praktijk zien we echter dat pensioenfondsen de kosten voor deze bijbetalingen voor hun rekening nemen en niet de werkgever.

 

Uitzonderingen bij waardeoverdracht en bijbetaling

Anno 2016 kampen veel pensioenfondsen met te lage dekkingsgraden: bij een dekkingsgraad van minder dan 100% worden waardeoverdrachten opgeschort. De dekkingsgraad geeft de verhouding weer tussen de verplichtingen enerzijds en de bezittingen anderzijds. Bij een dekkingsgraad onder de 100% zijn de verplichtingen hoger dan de waarde van de bezittingen. Zodra de dekkingsgraden van de overdragende en ontvangende pensioenfondsen weer op het niveau van tenminste 100% zijn, ‘herleven' de waardeoverdrachten weer en kunnen worden afgewikkeld.

Als er sprake is van een kapitaalovereenkomst (er wordt een kapitaal toegezegd) of een premieovereenkomst (er wordt een premie toegezegd: Defined Contribution-regeling), dan speelt de problematiek van bijbetalen niet. Als er van de premie direct een vaste uitkering kan worden aangekocht, dan gelden de regels voor uitkeringsovereenkomsten en kan er wél een bijbetalingsverplichting zijn.

 

Bijbetalingsplafond voor werkgevers

Bovendien zijn de regels rondom waardeoverdrachten (met terugwerkende kracht) per 1 januari 2015 aangepast wat betreft de bijbetaling (aanvullende bijdrage) voor werkgevers. Deze aanvullende bijdrage mag niet hoger zijn dan EUR 15.000 én meer dan 10% van de overdrachtswaarde bedragen (= een cumulatieve eis). Als aan deze beide eisen wordt voldaan, dan vervalt de plicht om mee te werken aan de waardeoverdracht. De werkgever hoeft in dit geval niet mee te werken aan de betaling van een aanvullende bijdrage voor de waardeoverdracht. Als de aanvullende bijdrage in de loop van de tijd door marktontwikkelingen (bijvoorbeeld de rentevoet stijgt) lager wordt dan de genoemde grenzen, dan is er overigens wel weer een verplichting tot medewerking aan de waardeoverdracht. Hier zien we een potentieel risico ontstaan voor de werkgever: stel dat 10 ex-werknemers in de ‘wachtkamer' zitten en de rente stijgt waardoor de gevraagde aanvullende bijdrage per ex werknemer nét onder de EUR 15.000 daalt, dan zou de werkgever in één keer bijna EUR 150.000 verschuldigd kunnen zijn.

Overigens zal de gehele bijbetalingsproblematiek veranderen als gevolg van een structurele herziening van het onderwerp waardeoverdracht. Door de regering is aangegeven dat hiervoor in het eerste kwartaal 2016 een voorstel zal worden gepresenteerd. Wij blijven dit uiteraard voor u volgen!

 

Volgende bijdrage

In een volgende bijdrage zullen wij stilstaan bij een aantal algemene richtlijnen en uitgangspunten bij entree- of exitgesprekken ten aanzien van waardeoverdrachten.