Het venijn in de staart bij pensioenopbouw boven €100.000

Door Pieter Kiveron - 17 juli 2015

Nederland kent met ingang van 1 januari van dit jaar een begrenzing van pensioenopbouw met de omkeerregel voor pensioengevende salarissen boven € 100.000. Daarvoor in de plaats introduceerde de wetgever een vrijwillige netto faciliteit: netto lijfrente en netto pensioen.

 

In de praktijk blijkt de duivel in de details te zitten. Een werkgever mag namelijk geen onderscheid maken tussen medewerkers die deelnemen aan de netto pensioenregeling en medewerkers die afzien van deelname. Met een korte serie over deze nieuwe vorm van pensioenopbouw informeren wij u rechtstreeks vanuit praktijksituaties.

 

De verandering voor tonplussers in het kort

Voor het pensioengevend salaris boven €100.000 (bij een parttime dienstverband geldt als maximum €100.000 vermenigvuldigd met het parttimepercentage) is de omkeerregeling (premies aftrekbaar, uitkeringen belast) niet langer toe te passen. Dat betekent dat de pensioenopbouw in reguliere pensioenregelingen is afgetopt.

De wetgever introduceerde een vrijwillige faciliteit voor de vorming van een netto oudedagsvoorziening, te betalen uit het netto inkomen en in de toekomst vrijgesteld van inkomstenbelasting: de opgebouwde waarde is vrijgesteld vermogen in box 3 en de uitkeringen worden niet belast in box 1. Ook de Successiewet kent een vrijstelling van Erfbelasting, die vergelijkbaar is met de vrijstelling die geldt voor fiscaal gefaciliteerde regelingen waarvan de premies in aftrek zijn gebracht.

 

Collectief netto nabestaandenpensioen

Niet alleen het fiscaal aftrekbaar op te bouwen pensioen wordt door de aftopping verlaagd. Ook de dekking voor nabestaandenpensioenen bij overlijden voor de pensioendatum is hierdoor lager geworden. Veel werkgevers kiezen ervoor om collectief een netto nabestaandenpensioen aan te bieden om te voorkomen dat nabestaanden van medewerkers worden achtergelaten met een te laag partner- en/of wezenpensioen.

Voor deze collectieve regeling profiteert men zowel van de schaalvoordelen als van het feit dat er voor deze dekking volgens de Wet op de Medische Keuringen er geen gezondheidswaarborgen hoeven te worden. Veel aanbieders hebben gekozen voor een propositie met een bepaald partnersysteem in plaats van een (in bruto pensioenregelingen gangbare) onbepaald partnersysteem.

Bij een bepaald partnersysteem wordt er alleen nabestaandenpensioen verzekerd als de partner en/of kinderen bekend zijn bij de pensioenuitvoerder. De premie is dus eenvoudig toe te wijzen aan de individuele medewerker.

Bij een onbepaald partnersysteem wordt voor iedere deelnemer een nabestaandenpensioen verzekerd, ongeacht de vraag of er daadwerkelijk een partner is. De premie wordt gebaseerd op een gemiddelde partnerfrequentie. De werkgever betaalt voor het totale deelnemersbestand een totaalpremie die niet aan individuen is toe te wijzen.

 

Het venijn zit in de staart

Naast de wettelijke eis dat een netto pensioenregeling vrijwillig moet zijn, mag de werkgever bij het betalen van een eventuele bijdrage aan de netto pensioenregeling geen onderscheid maken tussen medewerkers die deelnemen aan de netto pensioenregeling en medewerkers die afzien van deelname.

Als daar wel sprake van is, voldoet de gehele netto pensioenregeling niet aan de fiscale eisen en vervallen de fiscale vrijstellingen (het vrijgesteld vermogen in box 3 en onbelaste uitkeringen in box 1, zie hierboven) voor alle deelnemers aan die regeling.

Een werkgever die de premie betaalt voor een netto nabestaandenpensioen op basis van een bepaald partnersysteem, maakt onderscheid tussen medewerkers op basis van burgerlijke staat. Deze discriminatie is door het College voor de Rechten van de Mens wel toegestaan in pensioenregelingen, maar fiscaal komt de werkgever op glad ijs. Immers, de werkgeversbijdrage moet gelijk zijn voor medewerkers, ongeacht of zij deelnemen aan de netto pensioenregeling.

Voor een medewerker zonder partner en/of kinderen betaalt de werkgever geen risicopremie. In het kader van fiscale gelijke behandeling moet de werkgever deze medewerker compenseren voor een niet betaalde risicopremie, waarvan de hoogte (van deze leeftijdsafhankelijke tarieven) ook nog eens lastig te bepalen is. Tenzij gekozen wordt voor een doorsneepremie die gebaseerd is op de werkelijk betaalde risicopremie. In dat laatste geval is afstemming vooraf met de Belastingdienst aan te bevelen.

Voor een medewerker die afziet van deelname aan de netto pensioenregeling geldt hetzelfde. De werkgever mag geen onderscheid maken.

 

Tips voor werkgevers

  • Voorkom dat voor nabestaanden geen adequaat pensioen is verzekerd en faciliteer in ieder geval een collectieve regeling voor netto nabestaandenpensioen.
  • Voorkom fiscale diskwalificatie van de netto pensioenregeling en laat de deelnemers de risicopremie voor netto nabestaandenpensioen betalen. De werkgever kan eventueel ALLE medewerkers met een pensioengevend salaris boven €100.000 hiervoor compenseren.