Uiterlijk zes weken na de eerste ziektedag geeft de arbodienst bij dreigend langdurig verzuim een advies over de mogelijkheden om de werknemer weer snel aan het werk te krijgen. Twee weken na dit advies stellen werkgever en werknemer samen een plan van aanpak op.
Uit het plan moet duidelijk blijken wat de mogelijkheden zijn van de zieke werknemer op de langere termijn. Kan deze weer aan het werk? Is dat dan in zijn eigen functie of betreft het aangepast werk? De stappen die worden ondernomen zoals werkplaatsaanpassingen en training moeten in het plan worden opgenomen. Als een reïntegratiebedrijf wordt ingeschakeld moet dit ook in het plan worden opgenomen. Het komt er dus op neer dat alle afspraken over herstel, de reïntegratie en de werkhervatting in het plan moeten staan . De aanpassingen die er in de loop van de tijd plaatsvinden worden onderdeel van het plan.
In het plan van aanpak moeten twee zaken duidelijk naar voren te komen:
- Het aanstellen van een casemanager
- Evaluatie van de voortgang
Het aanstellen van een casemanager
Omdat er meerdere partijen zijn betrokken bij het reïntegratieproces en het aantal acties en afspraken in veel gevallen aanzienlijk is, is het nodig dat iemand het overzicht heeft. Deze persoon bewaakt dat de afspraken worden nagekomen, dat acties worden uitgevoerd en dat de betrokken partijen goed samenwerken. De aangewezen casemanager neemt deze taak op zich. De casemanager kan de werkgever, iemand van de arbodienst of het reïntegratiebedrijf zijn.
Evaluatie van de voortgang
Werkgever en werknemer gaan na of de in het plan van aanpak opgenomen afspraken ook worden nagekomen en wat de resultaten zijn. Als de omstandigheden veranderen kan het nodig zijn het plan bij te stellen. Veranderingen in het herstelproces of in de medische omstandigheden kunnen invloed hebben op het uitgestippelde traject om weer aan het werk te komen. Het plan moet daar dan op worden aangepast. Als op enig moment duidelijk wordt dat terugkeer naar de eigen werkplek niet (meer) tot de mogelijkheden behoort, dan kunnen werkgever en werknemer hun inspanningen richten op het vinden van aangepast werk, ander werk of zelfs een baan bij een andere werkgever.
Over de frequentie waarin de evaluaties moeten plaatsvinden zijn geen voorschriften, eenmaal per zes weken dient men toch wel als minimum aan te houden. De arbodienst volgt het medisch herstel van de werknemer en van de arbeids(on)geschiktheid en adviseert over de mogelijke aanpassingen op het plan van aanpak in dat kader.
De arbodienst zal daarvoor ook regelmatig contact moeten hebben met de werknemer, ook hier geldt dat een frequentie van eenmaal per 6 weken het minimum is. De werkgever stuurt de arbodienst en de werknemer een afschrift van het plan van aanpak en de bijstellingen daarop. Zijn werkgever en werknemer het niet eens over wel of niet ziek zijn, is er wel of geen passende arbeid of over de mate van de reïntegratie-inspanningen, dan kunnen zij UWV om een second opinion vragen.





